SLAGWAPENS
VAN DE PLAINS
Het eerste wapen was ongetwijfeld de klauw of de hand…
De eerste echte primaten speelden met stokken en takken en leerden mettertijd dat zo'n stok handig was als werktuig. Zo kon je er bijv. makkelijk een vrucht mee van een tak afslaan als je er met de hand niet bij kon komen. Meestal werd een stok gewoon opgeraapt vlak voor het gebruik, en na het gebruik weer weggegooid. Hoe één en ander in zijn werk kon zijn gegaan wordt grondig bestudeerd door biologen en gedragsdeskundigen. Zij maakten de laatste jaren talrijke studies bij apen hier rond, zowel in gevangenschap als in vrijheid. Af en toe kan je hierover wel één of andere documentaire bekijken op televisie.

Bij de allereerste mensachtigen ontdekte men reeds miljoenen jaren terug dat de scherpe kant van een steen kon gebruikt worden om te snijden en dat een ronde steen een goede hamer is. Gedurende duizenden jaren werden allerlei technieken ontwikkeld om van een gewone steen een handig werktuig te maken. Na verloop van tijd slaagde men er ook in om die handbijlen en hamers te voorzien van een steel. Dit gebeurde al lang vooraleer de eerste migranten het Amerikaanse continent gingen verkennen en bevolken.

Speksteen bijvoorbeeld is goed geëigend om er beeldjes uit te snijden. Catliniet is een rode speksteensoort die wereldberoemd is geworden door zijn toepassing als pijpenkop in de zo gekende "vredespijpen". Zandsteen is te zacht en zou versplinteren bij de eerste slag indien je er een hamer of bijl van zou maken. Maar als slijpsteen werd het gedurende duizenden jaren veelvuldig toegepast.

Vuursteen en obsidiaan en ook basalt en andasiet zijn waarschijnlijk de meest gebruikte en ook de meest geëigende steensoorten om snijdende werktuigen mee te maken zoals; bijlen, speer - en pijlpunten, schrapers, elzen, messen, enz… Zij hebben het voordeel dat ze zeker zo scherp, zoniet scherper kunnen gemaakt worden als de huidige ijzeren messen en steeds weer aangescherpt kunnen worden. Als nadeel hebben ze dat ze redelijk breekbaar zijn en bij impact op een hard oppervlak snel versplinteren.

Knotsen en hamers moeten een heel andere eigenschap hebben dan snijwerktuigen. Ze moeten zeer hard zijn en mogen niet bij de eerste slag versplinteren. Ook hier is dus de keuze van de steensoort van zeer groot belang. Graniet is zeer goed geschikt om hamers mee te maken. In reeds twee uur tijd kan een geoefend werktuigmaker een goede hamer of knots vervaardigen uit een stuk arduin. Voor het maken van een bijl is arduin dan weer niet geschikt omdat het geen scherpe kant houdt en zeer snel slijt.

Veel gebruikte steensoorten waren o.m. vuursteen, agaat, andasiet, basalt, chacedoniet, ignimbriet, jasper, novacult, obsidiaan, opaal, kwarts, rhyoliet en versteend hout. Afhankelijk van de beschikbaarheid en het beoogde doel werd gekozen voor de ene of andere steensoort. Uiteindelijk werden zelfs belangrijke handelsroutes ontwikkeld om bepaalde goede steensoorten als ruwe steen, of als afgewerkt werktuig of wapen te verhandelen. Primitieve mijnbouw was hier ook een gevolg van.

Goede stenen zoeken is niet eenvoudig. De steenklompen (van de juiste soort) moeten homogeen zijn, groot genoeg, mogen geen barsten vertonen of onzuiverheden. Het zoeken van de juiste basis - of moedersteen kan dus heel wat tijd in beslag nemen, maar deze tijd wordt teruggewonnen tijdens het vervaardigen van het eindproduct. Men breekt immers minder stenen en het eindresultaat is beter.

Sommige steensoorten zijn zonder voorbereiding moeilijk te bewerken. Het is archeologisch bewezen dat de primitieve mens reeds zeer vroeg bepaalde steensoorten ging verhitten om alzo de eigenschappen ervan te beïnvloeden en er gemakkelijker mee te kunnen werken.

In een put worden afwisselend lagen gloeiende houtskool en zand gelegd. Tussen twee zandlagen in worden de te bewerken stenen gelegd. Door de grote hitte die bereikt wordt, word het vocht dat zich in de stenen bevind uitgedreven en ontstaan microscopisch kleine breuklijntjes. Deze maken de steen niet kapot maar zorgen ervoor dat men gemakkelijker kleine scherven van de klomp kan afslaan en dus nauwkeurig de eindvorm kan bepalen.

Door op bepaalde delen van de basissteen te slaan met een hamersteen, kan men er berekend stukken afslaan. Men moet dan wel rekening houden met de hardheid en de hoek van de toegebrachte slag. Door van een basissteen de bodem af te slaan bekomt men een kern met een scherpe rand aan het breukvlak. Door op de rand van dit breukvlak te slaan in een bepaalde hoek kan men lange scherven afslaan die dan weer verder kunnen bewerkt worden.

De grootte van de scherf bepaald in grote mate het einddoel (pijl of speerpunt, mes, schraper, enz…). Door op de scherpe randen te slaan met een hardhouten ronde stok kan men een grove getande rand aanbrengen. Die rand kan dan weer verder door drukking verfijnd worden. Dit doet men door met de punt van een stuk gewei op die scherpe rand te drukken en er alzo zeer fijne splinters af te duwen.

Verschillende stijlen ontstonden die het de archeologen moeilijk maakt bepaalde dateringen te doen of er bepaalde bevolkingsgroepen mee aan te duiden. Voor Noord-Amerika zijn dat onder meer Folsom, Clovis en Sandia.

Een andere techniek die nog later werd toegepast is het slijpen. Door een bewerkte steen, zoals hierboven beschreven, op een vlak stuk zandsteen langdurig over en weer te wrijven, kon een nog fijner resultaat bekomen worden. Dit systeem was niet algemeen verspreid in het Amerikaanse continent. Het nog niet zo lang geleden ontdekte Noordelijke kustvolk, de "Red Paint People", zo genoemd vanwege het feit dat op de vindplaatsen veelvuldig rode oker gevonden werd, maakte gebruik van deze techniek. Ze maakten prachtige stenen werktuigen die mee tot de bestgemaakte ter wereld behoren. Dit volk verdween reeds enkele duizenden jaren geleden, waarom is niet geweten…

1-2-3 bovenaan: In drie stappen de corecte hoek bepalen voor de afslag van de top van de kernsteen

A: de correcte hoek om te slaan om het platform voor te bereiden.
B: de Correcte hoek om schilfers af te slaan.
C: verkeerd; te recht op de steen.

onderaan drie basisvormen:
1: Veervorm
2: trapvorm
3: verbinding

Afslaan van klingen met de hand of met een stuk gewei, verder behandeling van de kling door drukken of slaan.

Om een hamerhoofd of knots aan een steel vast te maken, zijn er ook verschillende technieken. Het stenen hoofd van de knots of de hamer wordt in het midden van een groeve voorzien. Het hoofd van een bijl krijgt die groeve aan de zijkant. Dit gebeurt door met een (hardere) kleine en scherpe hamersteen langdurig en methodisch, met redelijk harde tikken op de voorziene plek te hameren. Dit kan van één uur tot meerdere dagen duren, al naar gelang de steensoort waaruit de hamer of knots gemaakt is.

De eenvoudigste methode om die gegroefde kop van een steel te voorzien, is om een dunne wilgentak anderhalve keer rondom de steen te wikkelen. De twee overblijvende uiteinden van de pinkdunne wilgental worden samengebonden met natgemaakte rawhide, die bij droging verharden sterk krimpt, en alzo de verbinding nog versterkt.

bevestigen van een wilgentwijg aan een bijlblad

1: de meest gemaakte fout is om wilg te gebruiken die te dik is voor dit doel, let erop dat de wilg hier gebruikt van dezelfde dikte is als je pink.

2: bevestig de omwikkelde wilg met een lederen tong.

Op de Plains werden ook stelen gemaakt van de penis van een bizon… Dit is niet zo verwonderlijk als je weet dat hout op die plaats zeldzaam is. Zeker hout dat geschikt is om werktuigen te maken. Zulk een bullepees kan je de dag van vandaag nog kopen in een dierenspeciaalzaak, waar ze verkocht worden als hondenkluif. De penis werd geweekt en gerekt. Eén uiteinde werd rond de stenen knotshoofd gewikkeld en vastgemaakt met pees. Deze (rawhide) schachten waren berucht omdat ze door hun veerkracht een enorme zwiepende slag gaven aan de knots. Bovendien zijn ze enorm sterk. Het gebruik ervan is eens te meer een bewijs van vindingrijkheid van de prairiebewoners. Ze gebruikten vrijwel alles van de bizon en wisten voor elk stukje van dit dier een toepassing te vinden.

Een dikke wilgentak werd ook gebruikt in combinatie met strips van rawhide. Wilg was een veel voorkomende struik of boomsoort in de nabijheid van een beek of stroom. Je kan hem nog steeds vinden in alle streken van de U.S.A. Hij heeft immers vochtige grond nodig om te kunnen overleven. De wilg kan herkend worden aan zijn lange smalle bladeren en de slanke takken met een effen bast.

Een vuistdikke tak van de gewenste lengte wordt afgesneden. Een uiteinde wordt voorzien van een diepe, brede inkeping waarin de hamerkop of bijlkling past. Het handvat wordt bijgesneden, zodanig dat het comfortabel in de hand past. Vervolgens wordt de stenen kop op zijn plaats gezet en vastgemaakt met natte rawhide riemen, die na droging krimpen hen het geheel stevig verbinden.

bevestigen van een bijlblad aan een uitgesneden wilgentak

Er werd nogal veel gebruik gemaakt van twee soorten "lijm" om de verschillende verbindingen tussen steen en hout te verstevigen. De ene soort was hars van pijnbomen, spar of den. Het werd bijv. gebruikt als lijm om pijlpunten vast te lijmen op hun schacht en anderzijds werden de pezen waarmee de punten waren vastgemaakt afgedekt met een dunne waterdichte harslaag.

Hars werd verzameld op de stam van levende bomen die op plekken waar de schors beschadigd was, grote hoeveelheden hars uitstootte om de wond te verzorgen. Eens een voldoende hoeveelheid werd verzameld, werd deze hars gedurende drie tot vijf minuten gekookt. Zeker niet langer dan vijf minuten want dan ging de hars opdrogen tot een breekbare laag die alle veerkracht verloren had. Ook moest worden opgelet dat het hars niet in brand vloog want het is zeer brandbaar.

De tweede methode om hars te prepareren was wat ingewikkelder maar leverde een betere kwaliteit. Met twee gladde stenen werd wat houtskool van een harde houtsoort zoals eik, tot poeder vermalen. Het hars werd dit keer niet gekookt maar gesmolten. Aan deze kleverige brei werd dan wat houtskoolpoeder toegevoegd. Vervolgens werd de steen aan de steel vastgekleefd.

Een ander product dat als lijm werd gebruikt was asfalt. O;a. de Chumlash, maar ook andere stammen gebruikten dit. Asfalt werd gevonden in teerputten, maar kan nu als roofingasfalt in de handel gevonden worden. Het is in ieder geval een historisch correct product. Na smelten kan het zoals hars worden gebruikt om allerlei steen - hout verbindingen te verstevigen.

De oorspronkelijke knotsen waren gemaakt van korte houten stelen (omdat de Natives nog voetvolk waren) en een stenen hoofd. Meestal bestond versiering slechts uit wat franje en rode oker die als verf over het geheel werd uitgesmeerd. De meeste vroege knotsen hadden stenen hoofden met een gewicht tussen twee en acht pond!

Uiteraard werden ook handvatten gemaakt van hoorns van een hert, moose of eland. De uiteinden van zo'n handvat werden eerst een half uurtje gekookt om zachter te maken en ze zo makkelijker te kunnen bewerken.

De bovenstaande paragraaf geeft al aan dat er een geleidelijke ontwikkeling plaatsvond in de verschillende modellen slagwapens en dat gezocht werd naar andere materialen en methoden.

Zo werden soms twee hoorns van bisons aan elkaar gehecht en voorzien van een steel. Dit was een nijdig maar ook elegant wapen, dat later gebruikt werd bij ceremonies en zijn functie had in bepaalde society's. Bij de ceremoniële versies werden meestal holle hoorns gebruikt gevuld met steentjes, zo had men tegelijkertijd een ratel.

A: Dierenbeen met rawhide polsband

B: Knots van mariboegewei - Tanaina (Kenai schiereiland) - versierd met schelpen en turquoise, dit is een zeer groot model

C: Knots uit bizonhoorn (massief) met rawhide overdekte steel - later werden dit holle ceremoniële ratels.

D: Lange knots met fijne gepunte en dubbelzijdige stenen kop - dit model was heel wijd verspreid over de plains

Een ander geducht wapen was de "Slingershot club". Het voordeel van deze knots was dat hij niet voorzien was van een stenen hoofd dat moest bewerkt worden. Er werd gezocht naar een mooie ronde riviersteen die niet zou barsten bij een zware slag. De steen werd in een natte lap rawhide gewikkeld waarvan de uiteinden dicht ineen werden gedraaid en vastgemaakt aan een slanke houten steel. Door het feit dat een stuk van de rawhide omwikkeling vrij bleef tussen de steel en het knotshoofd, kreeg de slag met zulk een knots een extra "katapult"-effect. De slag kwam harder aan, de steel zou, net onder het hoofd, minder makkelijk breken en de steen werd minder vlug beschadigd… Voorwaar een goed bekeken wapen.

verschillende modellen Slingershot Clubs

A + B + C: versierd met paardenhaar aan het handvat

D: Detail van de rawhide bevestiging van de bal aan de steel

A: Blackfoot knots met wolvenpels en paardehaar

B: Sioux begrafenisknots met beadwork bekleed en paardehaar aan het handvat

C: Blackhoot knots - met huid overtrokken steel met paardehaar aan het handvat en met blonde scalp

A: Knots met stenen hoofd voor gebruik te paard

B: Knots met verlengd handvat voor gebruik te paard. Overtrokken met blauwe wol

C: Knots met flexibel slingshot hoofd, bedekt met beads en nerts

D: Zeer oude knots met uitbundige quillwork versiering

Toen de meeste Natives in het bezit kwamen van paarden en deze uiteraard gingen gebruiken in hun oorlogsvoering, moesten de wapens ook aangepast worden. De knotsen werden slanker, langer en minder zwaar aan de kop en uitgebreider versierd. Ook werd de knots niet langer alleen in de gordel meegedragen maar wet behulp van een lis aan het uiteinde van de steel, aan de zadelknop gehangen. Versieringen werden gemaakt met scalpharen, haren van bijv. bizonstaarten, paardenstaarten, allerlei stukken huid (bizon, otter, nerts, buckskin, e.a.). Uiteraard kwamen, daar nog versieringen bij van verf, quillwork en later beadwork.

De lange knots met gepunte steen van de Plains is hiervan een van de mooiste voorbeelden. Uiteraard wilde niet iedereen met steen werken. Er werden exemplaren gevonden die gewoon bestonden uit een zwaar bizonbeen, voorzien van een leren omwikkeling als handvat. Ook maakte men mooie knotsen voorzien van een houten hoofd, dat soms werd uitgesneden in een figuur. Dit wapen kwam veel voor in de Plains maar was het meest populair in de oostelijke wouden. Soms kwamen in het houten hoofd een puntige klauw, een kleine ijzeren punt, of zelfs een meskling voor. Het waren mooie effectieve en zeer lichte knotsen.

Verschillende modellen bolknotsen

A: Een Yankton Sioux War-club met een speerpunt in de bol geplaatst. ca.1870. Dit is een zorgvuldig gekerfde, zwart en rood geverfde club.

B: Vermoedelijk Omaha of Oto war-club, ca 1840. het beeld van een wezel werd gekerfd op de achterkant van de bol van deze club, ongetwijfeld een symbolische kwaliteit voor elke krijger, de mogelijkheid om een vijand snel en dodelijk te raken.

C: Oorlogsknots met balkop, Ojibwa, 19de eeuw. Dit exemplaar is van hout, op de rug voorzien van een uitgesneden dierenfiguur, mogelijk een otter.

Zeer gekend waren de verschillende modellen "Gunstock Clubs". Ze ontstonden uit een houten steel aan de kop voorzien van één of meerdere mesklingen. Later werden ook andere speciaal door de blanken voor dit doel gesmede punten ontwikkeld. Naast mesklingen werden ook lanspunten gebruikt. Geleidelijk kreeg dit wapen een meer gebogen worm en werd het breder aan de kop zodat deze zwaarder werd. Het model dat zo ontstond leek sterk op de kolf van een geweer, vandaar de haan. Dit wapen was verspreid over een groot gebied.

A: Winnebago Gunstock-club met crow scalp

B: Ojibway Gunstocl-tomahawk met slangenhuid overtrokken, rood geverfd en gegraveerd

C: Gunstock-club met lanspunt en siernagels

D: Vroeg model gunstock-tomahawk met drie mesklingen en koperen siernagels

Zoals uit voorgaande tekst ook blijkt kwamen de Natives hoe langer hoe meer in contact met de blanken. De messen, lanspunten, pijlpunten, geweren en paarden waren van hen afkomstig en zo ook de tomahawk.

De eerste ijzeren bijlen die in het bezit kwamen van de Natives, waren gewone bijlen die bedoeld waren als werktuig. Het waren zware houthakkersbijlen en kleinere handbijlen. Onder invloed van de trappers en pioniers werden lichtere modellen ontwikkeld met een rechte hardhouten steel. Vele van die klein lichte handbijlen waren ter versiering, in het ijzeren blad, voorzien van een gat in de vorm van o.m. een 'weeping heart". Dit werd een populaire bijl die door verschillende grote maatschappijen zoals de Hudson Bay Compagnie gretig gebruikt werden als ruilobject. Ze waren nuttig voor licht werk, men kon er mee werpen en het was een goed slagwapen. Ontelbare exemplaren vonden hun weg over het ganse continent. De verschillende modellen kregen namen mee als "Mouse Hawk", "Squaw Hawk", enz…

Hier komt voor het eerst de naam" Tomahawk" opdagen. Het woord is afkomstig van de Algonquin Indianen uit Virginia, wiens originele woord "Otamahuk" letterlijk betekend: Neerslaan. Terwijl tegenwoordig de meesten het woord tomahawk willekeurig gebruiken voor elke bijl die in het westernwereldje wordt gebruikt, zullen de puristen hier een groot onderscheid maken. Zij zullen namelijk uitsluitend deze benaming gebruiken voor een bijl die gebruikt wordt voor de strijd. Dus als het wapen niet versierd is op één of andere wijze of voorzien van een pijpenkop, is het geen tomahawk.

Historisch gezien was een tomahawk een uitzonderlijk geliefd wapen. Dit komt voornamelijk voort uit het feit dat het wapen symbool stond voor de moed die zo karakteristiek is voor het rode ras. Het man-tegen-man-gevecht werd zo hoog ingeschat dat zelfs nog in 1918, aan veteranen van de eerste wereldoorlog, het lidmaatschap in bepaalde society's van oude krijgers geweigerd werd omdat zij "alleen maar geweren hadden afgevuurd"…. Schieten met een wapen was véél minder moedig en eervol dan het man-tegen-man-gevecht waarin iedere krijger trachtte uit te blinken door zijn brute kracht en behendigheid.

We denken hierbij ook aan het systeem van "Counting Coup" waarbij de hoogste eer er in bestond om de vijand met de blote hand, met de boog of met een speciaal gesneden en versierde twijg (coup-stick) aan te raken. Deze daad werd onmiddellijk gewroken door de aldus zwaar beledigde tegenstrever, die liever ter plekke stierf dan deze smaad ongewroken te laten… Couting Coup was dus extreem gevaarlijk… De vijand verwonden of doden, zijn paard en/of wapens nemen, de tweede die een vijand aanraakte, enz… waren allemaal verschillende manieren om eer en naam te halen en alzo de sociale ladder van de roem te bestijgen. Elke stam had zijn eigen specifieke "puntensysteem" om de verschillende oorlogsdaden van al de krijgers uit de groep zeer nauwkeurig te evalueren. De beloning bestond uit eer, uiterlijke rekenen van moed zoals arendsveren, bepaalde kledij, enz… en een verhoogde sociale positie binnenin de stam.

De tomahawk had nog een andere symbolische waarde. Ze vertegenwoordigde zowel vrede als oorlog. Denk aan de spreuk; "de strijdbijl begraven", wat letterlijk gebeurde na een conflict.
Bij hernieuwde conflicten werd de bijl dan weer ceremonieel opgegraven.

In het begin van de 18de eeuw dook de nu zo geroemde pijptomahawk op. Waar ze vandaan komt en wie ze uitgevonden heeft is niet geweten. Men vermoedt echter dat ze door een Engelsman werd uitgevonden. Een groot deel werd gemaakt in Engeland en Frankrijk vooraleer in een later periode in de U.S.A. lokale smeden ze gingen vervaardigen. ,Deze laatste gebruikten niet zelden de achtkantige gegroefde lopen van (kapotte) geweren om hieruit in één enkel stuk een pijptomahawk te smeden. De snede werd dan niet zelden voorzien van een stuk "snijstaal" om het oorspronkelijke materiaal te verstevigen. Originele tomahawks worden door kenners ook vaak herkend aan de pijpenkop die zijn achterkant en de groeven van de geweerloop behouden had.

De variatie in stijlen en de gebruikte materialen waren legio. Zo werden de oorspronkelijke tomahawks gemaakt van ijzer en staal. Rond 1750 dook een type is gemaakt uit messing (geel koper) voorzien van een snijstaal. Beide typen kenden een gemeenschappelijke opgang tot men in ca. 1830 oordeelde dat messing en staal een dure combinatie was. Toen ging men over op de productie van volledig in messing gemaakt modellen. Tussen 1800 en 1900 werden zelfs een hele reeks tomahawks gemaakt uit tin. Messing met een nikkellaag was dan weer populair tijdens een korte periode in het begin van de 20ste eeuw.

In het begin was het oog van de tomahawk (daar waar de steel in past) redelijk groot met een ovale of traanvormige doorsnede. Geleidelijk werd de doorsnede van het oog kleiner en kleiner tot in de periode van 1818 tot 1830 een kleine ronde doorsnede van ongeveer 1.5 cm werd bereikt. Later werden de ogen gevormd in een diamantvorm.

Tomahawks werden dikwijls als (relatie)geschenk gegeven aan Natives die zeer dikwijls zelfs nog deze bijlen gingen versieren met verf, ingelegde metalen plaatjes, koperdraad en met ingebrande "tijgerstrepen". Later werden koperen siernagels de grote mode. In het midden van de 19de eeuw kwam in het westen ook een kleine wijziging aan de steel in de mode. Men voegde daar een kleine gegeraveerde sectie toe aan het handvat, voorzien van een oog waaraan men een buckskin lus vastmaakte die versierd werd met klauwen, pluimen, beads en belletjes.

Deze rijkelijke versierde tomahawks werden door hun eigenaars zo geliefd dat ze die meenamen op visites bij presidenten en koningshuizen. Eén vergezelde een Irokese Chief naar het hof van Queen Anne in 1710 en een andere werd door de Crow Chief "Holds-His-Enemy" meegenomen bij zijn bezoek aan president William Howard Taft in 1910.

Ook blanke kolonisten, ontdekkingsreizigers, militairen, trappers en pelshandelaars namen tomahawks mee op hun reizen, en hoewel de meeste blanken de simpele vorm zonder pijpkop verkozen, waren er verschillende die de pijptomahawk meedroegen op hun reizen. Het wordt gezegd dat tenminste enkele van de leden van de expeditie van Lewis en Clark (1806, de ontmoeting met de indiaanse Sacajaweja) er hadden. Toen ze op een gegeven moment zonder tabak vielen, zochten ze hun toevlucht tot het splijten van de stelen van hun tomahawks om vervolgens op de met nicotine verzadigde splinters te kunnen kauwen. Tijdens de revolutie en later tijdens de oorlog van 1812 hebben de mannen van Morgans Riflemen ook pijptomahawks gebruikt.

Een variant van de gewone pijptomahawk is de "spontoontomahawk". Dit model komt voort uit de puntige vorm van het blad, afgeleid van de korte esponton of hellebaarden die onderofficieren in de 18de eeuw met zich meedroegen. Vooral de Crow waren voorstander van dit model.

Tegenwoordig kunnen de hobbyisten en de ander liefhebbers of verzamelaars verschillende (mooie) modellen vinden van tomahawks bij o.a. hudson bay en bij de Vaudreuil. Wie ooit in de States komt kan daar ook zonder twijfel mooie modellen terugvinden… Het was een wapen dat geliefd en gevreesd was en dat vele jongens van kleins af fascineerde. Het is ook een wapen dat de Natives gingen symboliseren en daardoor bijvoorbeeld op allerlei penningen en medailles werd afgebeeld. Ook werd nergens ter wereld een soortgelijk wapen ontwikkeld.

Diverse modellen pijptomahawks

A: Engels model

B: Frans model

C: Blackfoot model met geperleerde steel

D: Sioux model met geperleerde steel

E: Spaans model

F: Crow model met geperleerde steel

Diverse modellen pijptomahawks

A: Chippewa

B: Shosoni

C: Wyandot

D: Sioux

A: Handbijl van Britse Makelijk - voorloper van de pijptomahawk

B: Handbijl van Franse makelijk met typische klingvorm

C: spontoontomahawk met detailfoto

D: Messing tomahawk met snijstaal ingelegd

met dank aan:
Ludo Van den Bussche - Sunkmanitu Tanka Okolaya
First Chief van de Sotka Yuha Warrior Society