Leven in een tipi en kamp cirkel


Zoals beschreven door Ella Delonia, Yankton Sioux, in "Speaking of Indians",

Ella C. Delonia, Friendship Press, 1944, p 26-33


Voor een Dakota familie van iets meer dan een eeuw geleden was "thuis" een kegelachtige woning gemaakt door een huiden tent te rekken over een draagstel van palen. De Zelfrespecterende familie-tipi, was zeker niet zomaar geïmproviseerd maar geconstrueerd volgens de regels en rechtgezet met de nodige zorg zodat het in orde leek, alsook zodat het de weersomstandigheden zou weerstaan. Vrouwen zetten de tipi recht, tenzij het een oversized Chief's Lodge of Council tipi was, in dit geval zetten de mannen de lange zware palen recht.

Elke familie zette zijn eigen tipi recht op een zodanige manier dat de kampcirkel gevormd wordt, de éénvormige ring waar zij allen een vitaal deel van waren. Alle tipi's waren gericht naar de Council Tipi die in het midden van de grote gemeenschap stond en het middelpunt was van het gemeenschappelijke leven en de ommegang. Het was de stadshal van soorten. De 4 magistraten woonden daar tijdens hun ambtstermijn. Maar zij waren niet volledig wet, uitgezonderd tijdens verhuizingen en gemeenschappelijke bizonjachten wanneer zij de voortgang van de groepspanden en van hun soldaten societies tot zich riepen om hun bevelen te laten uitvoeren. Deze opzet is interessant, maar is hier niet toepasselijk, tenzij om te vermelden dat deze actieve dictatuur enkel duurde tijdens tijden van massale acties, wanneer die nodig waren voor de gemeenschap.


De Council Tipi was een levendige plaats waar mannen kwamen en gingen en niemand werd buitengesloten. De ouderen kwamen samen om te delibereren, plannen te maken en te filosoferen; en de jongere mannen van een lagere standing, stille, onschuldige, onbekwame zielen die hun leven lieten leiden - maar die wel elk gesprek volgden - zaten langs de buitenste kant om te luisteren en te eten.


De vrouwen eerden om beurten hun man door gekookt voedsel, het beste dat ze hadden, naar de Council tipi te brengen. Dit werd onmiddellijk van hen overgenomen waarna ze zich verhaastten. Maar ga hier niet van uit dat ze weggejaagd werden door de mannen, ze gingen weg omdat dit als onvrouwelijk werd aanzien om zich op dringen in een vergadering van het ander geslacht, evenzeer was het onmannelijk om hetzelfde te doen bij een vrouwenmeeting. Voor buitenstaanders zijn vrouwen terughoudend en er wordt vaak voor minderwaardig aanzien tegenover de edele man. Het feit is dat vrouwen hun eigen plaats hadden en de mannen die van hen, Ze waren niet gelijk aan elkaar noch ondergeschikt noch superieur. De werkverdeling was ook afhankelijk van de sekse, beiden moesten hard werken want het leven was hard. Er werd van de ander niet verwacht om te helpen met niet gebruikelijke taken. Elk dacht dat de ander genoeg te doen had. Dit wil niet zeggen dat een man het te min vond om vrouwenwerk te doen indien nodig. Of een vrouw het werk van een man. Hun standpunt tegenover het werk was heel normaal, hoe het ook lijkt voor buitenstaanders. Een vrouw die zorgt voor de kinderen en al het werk rond het huis doet vond zichzelf niet slechter dan haar man die gedwongen werd om onafgebroken zijn leven op het spel te zetten tijdens de jacht en tijdens het verdedigen van zijn familie tegen aanvallers.


Maar nu terug naar de tipi. Ik zei dat het een thuis was voor de familie, maar de vader - moeder - kind familie was slechts een klein onderdeel van de vele families die de grotere tiyospaye (tee-yo-shpahyay) vormden. Dit Dakota woord is essentieel voor het beschrijven van het leven van de stam. Het duidt een groep van families aan, gebonden door bloed en huwelijken, die samen leefden binnen in de kampcirkel. Iedereen was vrij om te gaan en te staan waar ze wilden. Elke familie kon om gelijk welke reden ten allen tijde verwanten opzoeken of tijdelijk verblijven in een ander Dakota kamp. Er was geen enkele macht die hen tegenhield.


Deze kampen waren rondreizende dorpen, regelmatig rondtrekkend in het uitgestrekte Dakota gebied. Ze waren steeds op zoek naar voedsel en gingen telkens terug daar waar de hertenjacht goed was of waar er een overvloed was aan vruchten rijp om geplukt te worden. Van tijd tot tijd kwamen twee kampcirkels elkaar bij toeval tegen en verbleven een tijdje gezellig samen. Voor jaarlijkse feesten kwamen verschillende kampen samen op een afgesproken plaats en vormden een immense cirkel.


Voor bijna alle activiteiten werkten de verschillende families van een tiyospaye als een hechte groep. Mannen gingen vaak in groep op jacht, vrouwen deden hun werk, vooral sierwerk, in aangename kringen, de tiyospaye paarden werden in een gemeenschappelijke kudde gezet op een groene weide, met de jeugd als oppassers onder het toezicht van volwassenen. Kookvuren in open lucht werden door twee of drie families gedeeld, en elke vrouw was blij en klaar om al wie toevallig langs kwam in haar familiecirkel mee te tellen. Het was zo informeel, harmonieus en vanzelfsprekend omdat ze allen dichte verwanten waren. Wanneer een kind geboren werd of iemand kwam te overlijden, of iemand van de leden onderging een ceremonie, was het voor de verwanten die konden samenwerken zowel een verplichting al een privilege om van de onvermijdelijke geschenkgeving een verdienstelijke zaak te maken.


Maar terwijl het waar was dat de tiyospaye samenwerkten bij ceremonies en feesten, het verzamelen van voedsel, of taken volbrachten die de voor gemeenschap nodig waren, en terwijl al het vlees vrij gedeeld en ruim verdeeld werd, waren de Dakota niet communistisch in die zin dat alles van iedereen was en niets van specifiek iemand. Goederen werden niet als gemene goederen beschouwd. Het was waar dat, zo lang iets in iemands bezit was, het zijn eigen beslissing was om het weg te geven of bij te houden, er was niemand, niet individueel noch een raad die hem kon dwingen of verplichten iets af te staan tegen zijn wil. Enkel verwanten konden erop aandringen om afstand te doen van iets. Het maakte hem nochtans ten allen tijde gelukkig om van iets afstand te kunnen doen wanneer er een gelegenheid voor was, het was een uitdaging om te kunnen opstijgen tot een waardige bloedverwant.


Niet enkel hun materiele leven deed de verwante families leven als een hechte groep. De leden dachten ook bij alles wat ze deden aan hun verwanten. Een vrouw die haar kinderen achter moet laten om op reis te gaan deed dit met een gerust geweten. Ze weet immers dat haar verschillende "zusters" en al de anderen nooit zouden toestaan dat een kind misbruikt zou worden, het nooit zouden laten ronddolen of honger zouden laten lijden. Wanneer zij thuis bleef en andere moeders gingen weg dan was dat hetzelfde. Het was zelfs niet nodig om beloftes te vragen. Iets zeggen als "ben je zeker dat je op mijn kind zal letten?" zou overkomen als twijfel aan het verstand van de anderen of hun verantwoordelijkheid tegenover hun verwanten in twijfel trekken en dat zou een belediging zijn. Natuurlijk zou ze het doen, dus waarom het vragen?


Wat het kind zelf betreft kan je zien wat dit voor hem gedaan heeft daar zovelen verantwoordelijk zijn voor hem. Het gaf hem een meervoudige bescherming. Het verzekerde hem de zorg die alle hulpbehoevende kinderen nodig hebben, zelfs al zijn hun eigen ouders niet aanwezig. Het gaf een enorm comfortabel en veilig gevoel voor een opgroeiend kind. Bovendien was het een groot voordeel voor hem om als jong kind met zoveel verschillende personen contact te hebben en zich steeds te moeten aanpassen aan anderen? Zijn kring was nooit beperkt tot een paar personen, hij was gewoon aan de gemeenschap vanaf zijn prille begin. Er was nooit een moment in zijn leven waarin, na een periode waarin hij enkel contact had met zijn naaste familie, hij onverwacht werd geconfronteerd met veel vreemdelingen waaraan hij zich opeens moest aanpassen. Hij werd niet geboren in een enkele afgezonderde familie maar in een Tiyospaye.


Al heb ik het reeds dikwijls gezegd ik herhaal het nogmaals. Elk kind moet weten hoe hij elke verwant apart en met de juiste term moet aanspreken, hij moet zich op zijn gemak voelen in hun bijzijn en zoals iedereen wordt ook van een kind verwacht dat hij zich op een correcte en op de gebruikelijke manier zal gedragen tegenover hen. Deze voornemens met al zijn verplichtingen leiden de aandacht van het kind van zichzelf af, zo voorkomt men dat kinderen een al te hoge dunk van zichzelf krijgen. Doordat ze zich steeds om anderen moeten bekommeren verkrijgt hij een zekere emotionele stabiliteit en zelfbeheersing wanneer hij met volwassenen praat. Zelfs bij kleine kinderen lijkt het erop dat de verschillende termen waarmee hij zijn verwanten dient aan te spreken het hem moeilijk maakten en daardoor een soort van verantwoordelijkheid gaven.


Het was geen mirakel dat kinderen hun sociale plichten op zeer jonge leeftijd al kenden daar de vormingen en trainingen op dat gebied constant werden gegeven en ze steeds in bepaalde richtingen werden geleid. Iedereen leek samen te spannen om alle opgroeiende kinderen naar dezelfde richting te sturen. Zelfs een was zich hier bewust van. Zijn verplichtingen tegenover zijn verwanten was dat hij de juiste woorden en uitspraken gebruikte en er werden formele toespraken voorgezegd zodat hij ze kon herhalen voor een ander familielid. Het was hun informele maar constante manier van het onderwijzen in relaties met anderen en in sociale verantwoordelijkheid.


Er zijn bewijzen dat deze trainingen nog steeds gegeven worden bij de meer afgelegen Dakota's. Niet zo lang geleden volgde in onderstaand incident dat zal toelichten wat ik bedoel.


Een vrouw paste op een pasgeboren kleinkind dat lag te slapen in een deken gewikkeld op de grond, maar ze moest dringend weg dus riep ze haar eigen 5-jaar oude zoon en zei tegen hem 'Cink (zoon), blijf hier tot ik terug kom en zorg voor dit kind. Hij is jouw kleine zoon dus laat hem niet alleen". Ze sprak ernstig zoals tegen een volwassene, een gelijke, kindertaal vermijdend; "zie dat niemand op hem trapt, hij is nog zo klein en hou de vliegen van rond hem weg"


Toen ze later terugkwam was hij nog steeds met het gevraagde bezig, weemoedig volgden zijn ogen zijn vriendjes die in de buurt vrolijk aan het spreken waren, maar hij was nog steeds op post. Hij wist al op zijn leeftijd dat een vader zijn zoon niet in de steek laat. Hij was nog steeds vliegen aan het weghouden door met zijn kleine gebogen arm vluchtig maar nauwgezet boven het gezichtje van de baby te wuiven.


Ik heb tot zover meestal gesproken over het gezamenlijke leven in de tiyospaye. Nu kijken we even haar het leven in de familiale kring binnen de tipi. Het leven was er goed georganiseerd, met een vaste plaats voor iedereen. Elk lid van het gezin had er zijn vaste plaats waar ze gewoonlijk eten, sliepen en werkten. Iedereen bewaarde zijn persoonlijke spullen in leren boxen, die steeds versierd waren, sommige van deze boxen werden beetje bij beetje versierd. Deze boxen werden enkel gesloten door middel van een paar koordjes. Er waren geen sloten en geen sleutels en toch werd er nooit iets vermist. Een goede verwant deed niemand anders zijn spullen open, zelfs kleine kinderen werden vriendelijk maar streng gewaarschuwd een ander zijn goederen met rust te laten.


Vooral grootmoeders berispten de kinderen ijverig omdat zij weinig anders te doen hadden "raak dat niet aan kleinkind! Het is van hen (onpersoonlijk). Kijk, niemand doet dat" dit betekende zoveer als "dat moet jij ook niet doen". Er was iets in het grootbrengen op deze Dakota manier dat kinderen verbazend volgzaam en meegaand maakten. Ze waren voorzichtig en respecteerden de rechten van de anderen in verhouding met zijn relatie tot elk van hen.


Steeds wanneer een tipi voor langere periode werd opgesteld, zoals voor het winterkamp, werden backrests opgezet, die elk zijn kleine ruimte binnen de tipi afbakende, maar buiten deze materiele grens was er een gevoel voor fatsoen en eer, het was eerder een aangeboren verplichting tegenover de verwanten om hun ogen meer te richten op de dingen dan op de mensen. Dakota's hoefden in feite niet in het gezicht te kijken van een spreker om hem te begrijpen. Het was beleefd om het hoofd gebogen te houden of in het niets te kijken, terwijl ze enkel luisterden. Dit doen ze tot op de dag van vandaag. In een tipi waren ze extra op hun hoede, iedereen die bezorgd was om zijn status keek uit dat hij niet verdacht kon worden van stiekem kijken naar iets; wat eigenlijk heel makkelijk zou zijn mocht hij het proberen. Wat betreft het nadenken in een volle tipi, het was makkelijker voor hen dan je zou denken, alleen al omdat ze niets anders gewoon waren. Alle gesprekken in een tipi werden speciaal om die reden in stilte gevoerd, met een weinig opgewonden, maar duidelijke stem. Als een spreker voor een groep in de tipi praatte dan ging dit meestal niet gepaard met luide stem en veel toonvariaties zoals bij ons taaleigen dialect, daardoor kon ieder die dat wilde zich in gedachten terugtrekken uit de groep en ongestoord nadenken, zelfs al bleef men rondom hem praten.


Dit betekende niet dat het nooit eens vrolijk of luidruchtig was in de tipi. Bij gelegenheid kwam dat wel eens voor maar enkel wanneer dit gepland werd en wanneer het een select gezelschap betrof, gevormd door het soort verwanten die even hoog in aanzien stonden en waar en zich niet waardig of onderdanig moest tegen gedragen. Groepen van vaders en zonen of schoonbroers onderling of broers en neven zijn hiervan voorbeelden. Was gelijk wie was of waren er respectabelen aanwezig, dan had dit een temperend effect, daar het een deel van hun plicht was het onder controle houden van zichzelf tijdens onderlinge verschillen.


Ik moest nog een woordje uitleggen over de kinderen. Als volwassenen rond het vuur zaten voor een sociaal gesprek, gingen de kinderen in groep langs een zijde zitten om daar stilletjes met elkaar te praten. Ze konden zich uitleven met een vrolijke, onhoorbare lach, zodat ze de volwassenen niet zouden storen, en toch perfect gelukkig zijn. Het lijkt wel alsof ze beperkt en verbannen waren naar een hoekje om uit de weg te zijn, maar eigenlijk verkozen ze om daar te zijn en hadden ze veel plezier op hun eigen stille manier. Deze gecontroleerde wijze was precies de manier van hoe ze zich dienden te gedragen in het openbaar. Maar wanneer ze ver weg waren, met enkel hun eigen leeftijdsgenootjes, waren de kinderen ver van stil. Ze konden zich dan uitleven en zo luidruchtig zijn als alle andere kinderen.


Het was hoffelijk om elke bezoeker onmiddellijk voedsel aan te bieden. Soms was dat zeer weinig maar het was er, tenzij er natuurlijk nergens nog voedsel voorhanden was. Voedsel moest steeds aanvaard worden, zelfs al had de bezoeker net ergens anders gegeten. Wat hij niet op kreeg nam hij mee als "wateca" om later op te eten. Er werd verlangd om je bord terug te brengen naar de gastvrouw met een bepaalde gebruikelijke uitdrukking. Een persoon die het verzuimde om zijn bord terug te brengen of die faalde om de juiste dankwoorden te mompelen werd aanzien als onopgevoed. Dit was het universeel gebruik van gastvrijheid. Het was zoals ik al gezegd heb het grote stam-ideaal, dat automatisch werd uitgevoerd doordat de noodzakelijk harde berispingen van oudere mannen en vrouwen in toespraken aan de jongeren gegeven, diep ingeworteld zaten.


"Geef voedsel! Geef onbeperkt voedsel! Hou niets achter voor niemand. Wanneer het voedsel op is zullen we samen sterven, laat ons steeds Dakota's zijn!"


In de gedachten van het volk zou de logische reactie op zo'n uitspraak zijn "natuurlijk! Zeker, dit is de waarheid. Maar waarom moet je dat zeggen? Als we geen voedsel geven, wat rest er ons dan nog te doen? Wat moeten we worden als we geen Dakota's blijven?" De twee feiten: gastvrij zijn en Dakota zijn waren verbonden, een van beide weglaten was het geheel vernietigen en dat was ondenkbaar.


In dit hoofdstuk had ik het over veel informele onderwerpen die als het ware vermengd zijn en in elkaar overlopen en onder geen enkele voorwaarde kunnen gescheiden worden. Maar sommige punten dienen hier verder uitgelegd te worden.


De familie (ouders en kind) is niet de volledige familie, ze maakten deel uit van een grotere familie , de tiyospaye, bloedverwanten en verbonden door huwelijken. De individuele samenstelling had duidelijk omschreven relaties tegenover elkaar met vele verplichtingen. Ze functioneerden als een eenheid zowel op materieel als geestelijk vlak, in een nooit stoppende wisselwerking van het eren van elkaar, jong en oud.


Eerst zei de Dakota "Wees een goede verwant, dat is het allergrootste belang!" en dan "Breng deze verwantschap op een of andere manier in verband met iedereen die je kent, maak hem belangrijk voor jou, hij is ook een man" Dit werd bereikt, zoals je je herinnerd door het voorzichtig Oprichten van alle mogelijke verwantschappen,of deze nu bloedverwanten zijn of aanverwanten. Maar toen men zag dat sommigen nog steeds buiten deze categorieën vielen, werden met hen formele relaties tot stand gebracht, een ingenieuze methode om iedereen in "de grote cirkel van verwanten " te kunnen opnemen.


Dan zei de Dakota "Wees vrijgevig!" (hoe onnodig! Zou iemand iets achterhouden dat goed is voor zijn eigen mensen?) "Wees gastvrij!" (Waarom niet? Zou iemand eten terwijl zijn broeder honger lijdt?)


Met zulke eenvoudige redenering, pasten de Dakota's elke situatie en detail toe om samen te kunnen leven, zoals in een mooie mozaïek, hun eigen bijzondere "schema van het leven dat werkte"


Shungila Taniya



BACK