AANMAKEN VAN EEN
KAMPVUUR OF KOOKVUUR


Er zijn sommige dingen die men zeker moet weten zelfs voor we beginnen te zoeken naar geschikte tondels, aanmaakhout en brandhout:

- Bouw nooit een vuur tegen een rechtopstaande of omgevallen boom, noch op mosachtige ondergrond.

- Vuur heeft lucht nodig; Zuurstof is belangrijker voor vuur in de beginfase dan het hout dat toegevoegd wordt.

- Kies tondels en aanmaak materiaal zorgvuldig uit.

- Start met een klein vuur en voedt het volgens noodzaak.

- Gooi het hout spaarzaam bovenop de vlammen omdat vuur steeds omhoog klimt.

- Gespleten hout brand veel sneller en beter dan kleine blokken.

- Neem dode takken van rechtopstaande, bij voorkeur groenblijvende bomen.


Vuren gemaakt door beginners gaan vaak uit vlak nadat ze aangestoken werden omdat te vlug grote blokken hout op het vuur gegooid worden. Een vuur moet in het begin zorgvuldig gevoed worden, gebruik geleidelijk grotere blokken tot het vuur zeker goed zal blijven branden.






Kookvuren


Indianen hadden verstand van het bouwen van verschillende soorten vuren geschikt voor die bepaalde conditie waaronder ze moesten koken. In tijden van droogte, wanneer er gevaar was voor prairie- of bosbranden, kookten ze, wanneer ze geen aarde, stenen of zand vonden om hun vuur op te branden, vaak op een vuur dat gemaakt werd in een smalle greppel.


Lange rechthoekige vuren werden vaak gebruikt zodat verschillende koks hun maaltijd konden maken op hetzelfde tijdstip. Het gemiddelde kookvuur, gebruikt door een enkele kok, was een klein vuur, rond, vierkant of rechthoekig van vorm. Doordat deze vuren zo klein zijn is het op deze manier stresserend koken voor een blanke, daar wij de gewoonte hebben om een veel te groot kookvuur te maken.


Sommige indianen bouwden stenen vuurplaatsen of bouwden kookvuren tussen twee groene houtblokken, behalve wanneer ze een drievoet gebruikten die gemaakt was van groene, jonge boompjes. Hieraan konden ze ketels ophangen boven een piramide-vormig kookvuur, door deze piramide vorm bevond de hitte van het vuur zich in de top.

Braden aan een spit


Alle stokken die gebruikt worden voor het braden, bakken of roosteren dienen aan een zijde te worden scherp gemaakt en meten vervaardigd worden uit groen hard hout. Ze moeten zo recht mogelijk zijn en niet te flexibel.

Gebruik geen zoet hout zoals Esdoorn, Zoete Berk, hout van Pruimebomen of Appelbomen. Veel soorten hout zoals Dennen en sommige Notebomen geven een onaangename smaak aan wat erop gespietst wordt.

Laurier, Looiersboom en giftige Eik mogen NOOIT gebruikt worden als spit.

Spitten kunnen bestaan uit een enkele of een gevorkte hoek. Maak een kleine inkeping in de tak dichtbij de punt, dit helpt op hetgeen klaargemaakt moet worden mooi op de spit te houden.

Eten klaarmaken aan een spit wordt best gedaan over gloeiende kolen. Kleine vlammetjes helpen eerder het koken van het voedsel dan dat ze het hinderen.

Bakken op hete stenen


Als stenen om op te bakken gebruikten indianen dikwijls zeepsteen, een kalkachtige rots. op beddingen van stromen en rivieren, op de stranden van rotsachtige meren en aan de kust vind men vaak grote, haast perfect platte stenen met een dikte van 3cm - 5cm. Veel van deze stenen kunnen perfect gebruikt worden als bakplaten die hitte bestendig zijn en niet barsten of versplinteren wanneer er een vuur onder gemaakt wordt.

Zandsteen of stenen met eenzelfde structuur kunnen ook meestal voor dit doel gebruikt worden. Wanneer een geschikte steen gevonden word dient hij eerst grondig te worden gereinigd. Plaats daarna onder elke hoek van de plaat een steen, van dezelfde hoogte, ongeveer 20cm - 30cm.

Een heet bestendig vuur wordt brandend gehouden onder de stenen plaat, die ervoor zal zorgen dat de meeste dingen er smakelijk en gelijkmatig op gebakken kunnen worden.

Sommige stammen die deze manier van bakken toepasten, prepareerden en polijstten hun stenen dagen aan een stuk met vet alvorens deze voor de eerste maal te gebruiken.

De stenen die het meest geschikt waren om op te koken werden vaak geolied en gepolijst en gingen maanden lang mee.

Tondels


Tondels (zeer brandbaar materiaal) die gebruikt worden om een vuur vlug en goed aan te maken zijn onder meer:

- droge naalden van bomen,

- droge schors van cederhout of berk,

- gedroogd gras of mos,

- droge dons van katwilgen,

- dons van distels, paardebloemen of wilgenroosjes,

- Pluis van kattestaarten of wollegras.


Schors zou men zo zuinig mogelijk moeten gebruiken, in geval van nood als men schors nodig heeft om snel een vuur aan te maken is losse schors die men vaak vind aan de stam van een berk ideaal. Berkenschors dient men voorzichtig met de vingers van de boom te verwijderen.



Brandhout


Er zijn twee soorten hout geschikt voor het gebruik in een kamp;

- Hout om te koken

- Hout voor een kampvuur


Droge populier is het best geschikte hout om op te koken, het geeft veel warmte, brand mooi op en het is makkelijk te klieven.

Berk is eveneens geschikt om op te koken op voorwaarde dat het zeer droog is.

Omgewaaide bomen kunnen zelden gebruikt worden omdat het hout meestal te nat is doordat het op de grond ligt of omdat het al rot is en zo'n hout is zeker niet aan te raden voor een goed vuur.

Dennebomen branden goed genoeg maar veroorzaken door de hars in het hout veel rook en aanzienlijk veel roet in vergelijking met Populier en Berk.

Els, Esp (ratelpopulier) en Amerikaanse Populier zijn eveneens geschikt voor een kookvuur.


Omdat de beste soorten hout voor het branden van een vuur dikwijls niet voor handen zijn in het gebied waar men verblijft is men soms verplicht om een "mindere" houtsoort te gebruiken.

Een goede kennis hebben voor het maken van een kampvuur komt dikwijls neer op het verzamelen van het meest geschikte hout dat te vinden is rond een kamp. Het beste brandhout is zonder twijfel de Amerikaanse Notenboom daar deze soort enorm veel warmte afgeeft bij het verbranden en zeer langzaam brand.

Amerikaanse notenboom is echter zeldzaam en groeit maar op weinig plaatsen. Wat betreft zijn brandbare kwaliteiten wordt hij gevolgd door de Eik, Beuk, Es, Iep, Esdoorn, Berk, Den, Kastanje, Populier en Linde.

Om een vuur brandende te houden kan men gebruik maken van Groene Berk, Populier en droge Witte Den. daar deze weinig glinsters geven.

Houtsoorten zoals Ceder, Canadese Hemlockdenn Amerikaanse Lork, Groene Den, en Spar geven veel glinsters en zouden enkel gebruikt mogen worden indien niets anders te vinden is.


Brandhout onderverdeeld in categorieën


Snel en goed brandend hout:

Populier, Gele Berk, Witte Berk, Zwarte Berk, Esdoorn, Den en Linde


Langzaam brandend hout:

Valse Acacia, Beuk, Iep, IJzerhout en Amerikaanse Populier

Populier
Peuplier

Gele Berk  Bouleau Jaune

Witte Berk
Bouleau Blanc

Zwarte Berk
Bouleau Noir

Esdoorn
Erable

Den
Pin

Linde
Tilleul

Valse Acacia
Acacia Faux

Beuk
Hêtre

Iep
Orme

Ijzerhout
Bois de Fer

Amerikaanse Populier
Peuplier Américain

 Houten geraamte als
kampvuur of kookvuur:

(geraamte gemaakt van ongekliefde houten blokken)

Rode Esdoorn, Kastanje, Rode Eik, Olm, Amerikaanse Notenboom en Ijzerhout

Het is vanzelfsprekend dat houten geraamte en volledige houten blokken die dienen om potten en pannen op te zetten nog groen moet zijn om zo lang mogelijk te kunnen gebruikt worden.

Men zou, indien mogelijk, of het nu om een kampvuur gaat of een een kookvuur, groen en droog hout moeten mengen om zo het beste resultaat te bekomen daar deze vuren langer blijven branden en beter kunnen dienen.

Aanmaakhout


Het beste aanmaakhout bestaat uit houtkrullen of dunne latjes hout van een droge, dode denneboom. Ook de wortels van de meeste dode dennebomen zijn geschikt en in het bijzonder de witte den.

Deze ontbranden makkelijk en branden fel door de hars die het bevat. De kleine droge takjes die men vind op levende dennen kunnen eveneens zeer goed gebruikt worden als aanmaakhout, zij zorgen ervoor dat een vuur sneller brand.

Koken in klei


Sommige stammen bakten volledige kleine dieren in klei, zichzelf zodoende een hoop werk sparend.

Watervogels en ander gevogelte moest niet eerst geplukt worden, vis moest niet schoongemaakt worden, zelfs niet ontdaan van zijn schubben.

De veren, schubben, vinnen of huid komen vanzelf los in de gebakken klei wanneer het voedsel klaar is.

De indianen gingen als volgt te werk.

Eerst werd gezocht naar geschikte klei, liefst van een blauw-grijze kleur, die moeilijk te vinden is in sommige gebieden. Andere kleisoorten zoals de roodachtige soorten, die goed bewerkbaar zijn , kunnen eveneens dienen.

In uitzonderlijke gevallen werd modder gebruikt als klei niet voor handen was, maar dat werkt niet zo goed tenzij een het een deel klei bevat die als bindmiddel kan gebruikt worden.

De indianen bedekten het te bakken dier, nadat het was gewassen en ontdaan van kop en poten, met een laag klei (zo'n 2 vingers of 4cm dik). De klei werd platgedrukt in een laken en zo rond het dier gevormd tot deze volledig verpakt was. De tijd die nodig is om het garen hangt af van de hitte van het vuur, de continuïteit van de hitte en de grootte van het te bakken dier. De kooktijd ligt tussen de 20min tot 40min voor vis en 1uur tot 2 uur voor vogels en kleine dieren.

koken op kolen en in assen


Een belangrijke manier van koken stamt nog af van de prehistorische indianen, namelijk het rechtstreeks koken op kolen en in gloeiende assen van het vuur.

Deze simpele vorm van koken zonder enig gereedschap braad het vlees smakelijk en kan eveneens toegepast worden voor sommige groenten.


Shungila Taniya